Onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken


Het lijkt erop dat het recht op een eerlijk proces eindelijk wordt vastgelegd in de grondwet[1]. Alhoewel dit uitgangspunt thans nog niet expliciet in de Grondwet is opgenomen, is het wel reeds uitgangspunt voor wetgeving en praktijk.

 

Het recht op een eerlijk proces houdt in dat de belastingplichtige recht heeft zich te verdedigen voor een onafhankelijk en onpartijdige rechter. De normen van het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) dienen in acht genomen te worden.

 

Ook in fiscale zaken speelt het hebben van een eerlijk proces een belangrijke rol. Zeker indien naast de belastingheffing tevens een boete is opgelegd. Het opleggen van een (bestuurlijke) boete in belastingzaken is namelijk gelijk te stellen met een stafvervolging.

 

Een onderdeel van het eerlijke proces is het leerstuk van onrechtmatig verkregen bewijs. Over dit leerstuk wordt in het fiscale recht nog steeds met enige regelmaat geprocedeerd. Mogen bewijsmiddelen worden gebruikt? Wat zijn de consequenties? alsmede wat is nu precies onrechtmatig verkregen bewijs is, zijn vragen die hier naar voren komen.

De Hoge Raad heeft reeds in 1992 beslist dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal mogelijk is in fiscale zaken. De Hoge Raad heeft hierbij de kanttekening gemaakt dat het verkregen bewijs niet mag zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

Maakt de belastingdienst toch gebruik van informatie die op onrechtmatige wijze is verkregen, dan kan dit voor de rechter een reden zijn om de aanslag te vernietigen. Indien het bewijs onrechtmatig is verkregen, maar vaststaat dat de inspecteur het bewijsmateriaal ook op een normale manier kon verkrijgen dan mag het onrechtmatig verkregen bewijs worden gebruikt.

De inspecteur kan informatie verkrijgen op basis van de fiscale inlichtingenplicht ex artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: AWR) en artikel 52a AWR. De bevoegdheid die de inspecteur op basis van deze artikelen heeft gekregen is zeer ruim. De belastingplichtige is desgevraagd gehouden aan de inspecteur informatie te verstrekken welke voor de belastingheffing van belang kan zijn.

Het is van belang dat de belastingdienst bij het opvragen van informatie de regels die gelden voor een betrouwbaar handelende overheid in acht neemt. Dit brengt met zich mee dat een belanghebbende van de belastingdienst mag verwachten dat zij geen onrechtmatig verkregen bewijs gebruiken indien belanghebbende door het onrechtmatig verkregen bewijs in een nadeligere (rechts)positie is komen te verkeren. De rechter vernietigd doorgaans de opgelegde naheffings- of navorderingsaanslagen indien een dergelijke situatie zich voordoet.

Tot zover. Mocht u met betrekking tot vorenstaande vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.



[1] Minister Plasterk van Binnenlandse zaken en de Koninkrijkrelaties alsmede minister Opstelten van Veiligheid en Justitie hebben bij brief  (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brieven/2013/06/11/brief-aan-eerste-kamer-uitvoering-moties-grondwet.html) van 11 juni 2013 de uitwerking van moties grondwet aan de eerste kamer gezonden om het recht op eerlijk proces in de Grondwet te laten opnemen.

Leave a Reply