Vertrouwensbeginsel en een telefonische mededeling van de belasting, gaat dat toch hand in hand?


Wanneer mag je vertrouwen op informatie en mededelingen die de belastingdienst doet? Het onderscheid tussen verschillende vormen van informatieverstrekking is hierbij van belang. In de basis is te onderscheiden:
ϕ inlichtingen;
ϕ toezeggingen.

Het verschil tussen deze twee vormen zit hem in het gegeven dat inlichtingen van algemene aard zijn en toezeggingen zijn vaak meer op de specifieke situatie van de persoon toegespitst.

De laatste tijd is er met enige regelmaat jurisprudentie verschenen waarin de vraag aan de orde kwam in hoeverre een belanghebbende mag vertrouwen in de informatie en mededelingen die de belastingdienst geeft.

Het algemene uitgangspunt is dat wanneer de belastingdienst een onjuiste inlichting verstrekt, geen beroep gedaan kan worden op het vertrouwensbeginsel. Hieronder vallen ook de inlichtingen die door de Belastingtelefoon worden gegeven.

Een mededeling door de belastingdienst dat een ingenomen en kenbaar gemaakt standpunt betreft komt daarentegen, in beginsel, wel in aanmerking om een beroep te kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Uitzondering hierop betreft een toezegging dat is gebaseerd op gegevens die niet juist en volledig zijn of als de toezegging duidelijk in strijd is met de wet dat u nakoming niet kunt verlangen.

Het is lastig te bepalen waar de grens ligt tussen inlichtingen en toezeggingen. Hof Arnhem heeft in 2011 bepaald dat telefonische informatie, van de Belastingtelefoon, in rechte geen te beschermen opgewekt vertrouwen oplevert. Dit komt doordat de belastingplichtige over het algemeen onvoldoende of gekleurde informatie aanreikt waardoor de belastingdienst niet de concrete situatie kent en derhalve geen bewuste standpuntbepaling kan innemen.

De belastingrechter sloot in voornoemd arrest de mogelijkheid van opgewekt vertrouwen niet helemaal uit. Er blijft nog ruimte voor rechtsbescherming als ongeclausuleerde mededeling heeft gedaan en die informatie bepalend was voor het handelen van belanghebbende en hij daardoor schade heeft geleden. De bewijslast hiertoe ligt bij de belanghebbende.

De scheidslijn is dun. Dit blijkt nogmaals uit de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei jl. De Rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat telefoongesprekken waarbij de inspecteur informatie verstrekt nadat hij de situatie van belanghebbende heeft bekekenen niet meer kan worden aangemerkt als het verstrekken van algemene informatie. Belanghebbende mocht in deze situatie van de mededeling van de inspecteur uitgaan en kon derhalve een beroep doen op het vertrouwensbeginsel.

Uit de jurisprudentie dient geconcludeerd worden dat de belastingdienst aan inlichtingen minder snel is gebonden dan aan toezeggingen. Dit heeft voornamelijk te maken met de voorlichtende taak van de belastingdienst. Of de belastingdienst bewust een standpunt heeft ingenomen, dient bekeken te worden vanuit de positie van de belastingplichtige. Indien de inspecteur een mededeling doet nadat hij te kennen heeft gegeven eerst het dossier te bestuderen, mag belanghebbende er redelijkerwijs menden dat de Belastingdienst een bewust standpunt heeft ingenomen.

Leave a Reply