Bedrijf toch lager belast!


“Het onderscheid tussen particulier en ondernemingsvermogen is niet discriminerend” dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld in een aantal uitspraken over de fiscale vrijstelling van successie- en schenkingsrechten van ondernemingsvermogen. Het onderscheidt is niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad meent dat de wetgever onderscheid mag maken tussen het belasten van ondernemingsvermogen en het belasten van particulier vermogen.

De aanleiding is een uitspraak van de rechtbank in Breda van 13 juli 2012 (ECLI:NL:RBBRE:2012:BX3386) waarin de rechtbank oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding daarvan zijn duizenden bezwaarschriften ingediend. Uit deze gevallen zijn de vijf zaken waarin vandaag (22 november 2013) uitspraak is gedaan, als proefprocedure aan de Hoge Raad voorgelegd.

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit stelt 100% van de waarde van verkregen ondernemingsvermogen vrij tot aan € 1.006.000 en 83% van de waarde daarboven. Alleen personen die ondernemingsvermogen erven of geschonken krijgen, hebben recht op die vrijstelling. De rechtbank in Breda meende dat ook verkrijgers van particuliere vermogens recht op deze vrijstelling hebben. Dat standpunt werd nog bevestigd door de advocaat-generaal, een advocaat generaal bij de Hoge raad is een onafhankelijk jurist die gevraag en ongevraagd zijn mening over bij de Hoge Raad aangebrachte zaken zijn mening geeft.

De Hoge Raad oordeelt in deze uitspraken dat het internationale gelijkheidsbeginsel niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Dit betekent dat sprake zal zijn van een verboden discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er een redelijke verhouding tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel ontbreekt. De wetgever op fiscaal gebied heeft hierbij in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid.

De wetgever heeft de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in het leven geroepen omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen kan oproepen waardoor de continuïteit van ondernemingen in gevaar kan komen. De wetgever heeft hierbij met mame gekeken naar de vele familiebedrijven die in ons land actief zijn. Zij zorgen voor behoud en groei van de werkgelegenheid, behoud van economische diversiteit en voor stabiliteit. Daarnaast wilde de wetgever het ondernemerschap stimuleren. Dit zijn volgens de Hoge Raad gerechtvaardigde doelstellingen. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit is volgens de Hoge Raad bovendien niet van redelijke grond ontbloot.

De volledige uitspraken:
13/01154 = ECLI:NL:HR:2013:1206
13/01160 = ECLI:NL:HR:2013:1209
13/01161 = ECLI:NL:HR:2013:1210
13/01622 = ECLI:NL:HR:2013:1211
13/02453 = ECLI:NL:HR:2013:1212

Leave a Reply